Sluimerhuis

 

                                         

                                                              (vooraf)

 

In feite zijn we allemaal na een goede twaalf, vijftien jaar wel ingewijd. Als we het beestje in onszelf hebben ontdekt, als de eerste liefde is gevormd voor die enkelen dicht om ons heen, als een bepaalde mate van waakzaamheid niet meer herinnerd hoeft te worden en als we een of twee fenomenen uit het niets hebben zien ontstaan, dan -terwijl elk element in steeds meer delen uiteen valt- dan is het ware mysterie wel zo’n beetje onder de knie.

   Vanaf dan ook worden we ons bewust van een oceaan vol onkenbaarheid. Tussen dat water en het zuigende zand aan onze voeten klotst, bruist of raast een branding van aannames, hoop en misleiding en het zijn er niet veel die met een milde nieuwsgierigheid, liefdevol geduld en zonder angst naar dat water kunnen kijken. Velen hebben de inwijding vergeten op te merken en putten zichzelf uit in het oppoetsen van het raadsel dat ze op het spoor menen te zijn. 

   De zwijgende misdadiger, de afpassende dichter, de selecterende diplomaat, de leugenaar. Allemaal manifestaties van het religieuze kind, dat middeleeuws schepsel waar ik blijkbaar ergens in het verleden mee heb moeten afrekenen.

 

Nu, aan het begin, stokt ook mijn adem bij een onwillekeurige herinnering aan wat ik dacht te zijn vergeten, of is er zoiets als euforie en een versnelde hartslag als ik in gedachten haar borst weeg in mijn rechterhand.    

   Maar het regent buiten en het water kookt. 

    Toen dit kind kind werd gebeurde dat onder volledig algemene omstandigheden, in een volkomen algemeen decor.